Ter afsluiting een hoofdstuk dat gewijd is aan enige markante fonetische kenmerken, die
‘het geluid’ van het Kerkraads bepalen. Zij zijn overigens niet uitsluitend eigen aan ons
dialect: ten dele komen de gesignaleerde verschijnselen ook in de westelijk aangrenzende
dialecten voor en voor het overgrote deel behoren ze tot de klankleer van de dialecten die
zich naar het oosten uitstrekken tot aan de Rijn.
Een volledige behandeling van het klanksysteem van het Kerkraads en het ontstaan daarvan
zou een levenswerk zijn; men mag dat hier niet verwachten. De behandeling is over
het algemeen constaterend, verklaringen worden slechts aangeduid. Wel worden er vaker
vergelijkingen getrokken met het Nederlands en het Duits, zulks ter verduidelijking van de
‘eigenheid’ van het dialect. De vele voorbeelden zullen het lezen aantrekkelijker kunnen
maken.
Onder Kerkraads dialect verstaan wij de volkstaal die werd en nog wordt gesproken binnen
de grenzen van de gemeente Kerkrade van vóór de gemeentelijke herindeling in 1982. De
gemeente bestond uit verschillende buurtschappen, en wel: Haanrade, Chèvremont met
Vink en Kloosterbosch, Bleijerheide, Kaalheide, Spekholzerheide met de Gracht, en de
kern: Kerkrade met Holz en Nulland. De wijken Terwinselen en Hopel behoorden slechts
voor een gedeelte tot Kerkrade.
Taalkundig bestonden er tussen de genoemde wijken wel verschillen, maar ze hadden betrekking op bijkomstige uitspraakvarianten; ze deden aan de eenheid van het Kerkraads
dialet geen afbreuk en zijn tegenwoordig welhaast genivelleerd.
Het is onbetwistbaar dat het dialect fonetisch zeer veel kenmerken heeft die eigen zijn aan
de Rijnlandse dialecten; het maakt deel uit van een van oudsher gesloten taalgebied, dat
men Ripuarisch-Frankisch noemt.
Taalkundig wordt het gebied van de vroegere gemeente Kerkrade naar het westen
begrensd door de zgn, Benrather Linie, een bundel isoglossen, dus de begrenzing van taalkundige verschijnselen, in dit geval klankverschijnselen. Men kan er enerzijds uit
opmaken dat ons dialect fonetische eigenaardigheden gemeen heeft met de oostelijk aangrenzende dialecten en het Hoogduits, anderzijds dat het zich in deze gevallen onderscheidt van meer westelijk gelegen Limburgse dialecten en het Nederlands.
Tot de plaatsen die in Nederland door deze taalgrens worden omsloten, behoren ook, globaal
gesproken, Simpelveld, Bocholtz en Vaals.
Oostelijk van de Benrather Linie treedt de zgn. Hoogduitse Klankverschuiving op. Zij
hield voor ons dialect in dat in oude woorden de klanken p, t, k aan het eind van een woord
en in het midden na een klinker overgingen in ƒ, s, ch; het Nederlands heeft de oude toestand
bewaard.
Men vergelijke de volgende woorden met dezelfde in het Nederlands en het Duits:
met f: lofe (vgl. laufen en lopen); zo ook bij de volgende voorbeelden: jriefe, sjliefe, leffel,
peffer, hoffe, verkofe; rief, pief, knoof enz.
met s: èse (vgl. essen en eten), sjlisse, wasser, losse, riese, biese; hees, jroeës, vós, oes,
sjtroasenz.
met ch: maache (vgl. machen en maken), brèche, sjprèche, broeche, kaoche, kuche; daach,
baach, bóch, kóch enz.
Wat betreft het achtervoegsel -lieg (Ned. -lijk) is deze verschuiving verder doorgedrongen
naar het westen; met betrekking tot de woorden iech, óch, miech, diech zelfs in bijna alle
Limburgse dialecten.
De Hoogduitse Klankverschuiving hield voor ons gebied ook nog in, dat de t in andere
posities nl. aan het begin van een woord, aan het eind van een woord na een oorspronkelijke
medeklinker en als ze verdubbeld was, tot ts werd (Du. z, Ned. t(t):
tswai, tsing tselle, tsank, tsiet, tseruk; de Hoots (Holz), hats (Herz), sjtoots (stolz), zaots,
boots (Bolz), sjwats; puts, kats, nets; zitse, sjetse enz.
In tegenstelling tot het Duits zijn niet verschoven de p aan het begin van een woord, in de
verdubbeling en na r en l en m: pónk (vgl. Pfund, pond), plukke, appel (vgl. Apfel, appel),
dörp (vgl. Dorf, dorp), helpe (vgl. helfen, helpen), damp (Dampf). Lang niet alle woorden
in het Kerkraads zijn door de Hoogduitse Klankverschuivingen getroffen; als ‘Unverschobenes Reliktgut’ gelden onder meer: dat, wat, het, kloeët, deep, zeke, wik, vlok, tusje.
Een ander klankverschijnsel dat zich voordoet ten oosten van de Benrather Linie, is dat
vrijwel elke g tot j is geworden; dit is de reden waarom in de Woordenlijst de letter g niet is
opgenomen.
De overgang van g in j heeft plaatsgevonden:
1) in het begin van het woord: joa, jans, Jod, jód, jäöle, jelde, jönne, jeleuve, jeëve, jif;
jrave, jroeës, de Jraat, jreun, jlad, jlans; Jertroed, Jirraad enz.;
2) in een woord tussen klinkers, als de eerste een palatale klinker is, dus een e-, ie– of u–
klank: kejele, veëje, sjweëjel, sjwieje, beuje vluje, luje, jesjweëje, de Hillieje Modder
Joades, zieëliejer, ierlieje, d’r vurrieje mond, mennieje kier enz. Ook na r en l: sjurje,
verberje, urjens, burjemeester, Beljieë.
Bij dezelfde of verwante woorden staan j en g naast elkaar naar gelang de positie: beuje
– jeboage, sjwieje – sjwieg, vrugjoar – vrujje mörje, jage – jeëjer, drage – himmelsdreëjer,
ze loge (ligke) – conj. ze leuje, ze zoge (zieë) – ze zeuje, jemuutlieg -jemuutliejeenz.
De tendens g > j is zo sterk dat ook kennelijk vreemde woorden er niet aan ontkomen:
jalant, jeneraal, jalazietsoeng, jaas, jranaat, jool (goal), Julpe, Jeleën enz.
De g-klank is slechts bewaard tussen klinkers, als de eerste een velare klinker is, dus
een a-, o-, oe– of äö-klankis: knage, klage, drage, i-voge, ze droge, zoege, vroage; maar
sjwoajer. Soms staan de twee vormen naast elkaar: voeëgel – voeëjel.
Het Kerkraads kent de zgn. velarisering, d.w.z. de overgang van -nt na korte klinker aan
het eind van een woord en voor -t tot –nk en binnen het woord van –nde tot –nge. Men vergelijke de genoemde voorbeelden met de Nederlandse en Duitse equivalenten:
brank, tsank, kank, hank, versjtank, zank; blink, kink, wink, rink (rund); rónk, kónk, kónk,
jezónk; vrunk; manktel, winkter enz.
Eng (vgl. Ende), binge, vinge, hinger, d’r blinge, ónger, d’r Ronge Pool, langer (landerijen),
kinger, zöng (vgl. Sünde).
De –ng bleef bewaard ook als de slot –e wegviel, zo in de meervouden heng, tseng, höng,
vrung en bij het bijv. naamw.: bling lu, jezong kinger, rong vinstere enz.
Velarisering treedt ook op bij een oorspronkelijk inlautende –n, die auslautend werd, waar
de uitgang was weggevallen. Zo in nuung, ring, kling, lieng, jröng naast jreun, fieng naast
fien, broeng naast broen, Fieng, Sjtieng; de bez. voornw. mieng, dieng, zieng en het lidwoord
ing.
Eindverscherping heeft plaats gehad bij de oorspronkelijke –ng aan het eind van een woord:
lank (lang), jónk (jong), rink (ring), dink (ding) jezank (gezang), aavank (aanvang) enz.
Op het eind van eenlettergrepige woorden valt in sommige gevallen de –n weg: plai, bee,
sjtee, ee, jee, fie; de bez. voornw. mie, die, zie; en voorz. als a, i, va.
Voor –ch (in Auslaut geschreven -g) wordt een klinker met sleeptoon in het algemeen
gerekt: laache, maache, daach, daag; wèg, blèch, pech; sjtèche, laoch. Een klinker met
stoottoon wordt daarentegen verkort: loag, löcher, boech, liech.
In beide gevallen verdwijnt de ch (g) voor t (d): naat, jraat, sjaat, braat, zaat; reet, sjleët,
lieët, doater, vruet, loeët; lit.
Op deze regels zijn nogal wat uitzonderingen, b.v. ach ( het cijfer) tegenover aat (acht
geven).
R voor een volgende dentaal valt meestal uit. Men vergelijke de volgende woorden met
hun Ned. en Du. equivalenten: baad, jaad, vaat, kaat, aad, wade, maat enz.; keëts, peëd,
weed, eëd, meëts, jeët, veëdieg; boad, tsoat, koad, woad; toeët, heë hoeët(hoorde); wieët,
juedel, bued enz. Vgl. de Kerkraadse uitspraak van namen als Hoebeët, Beëtram
(Bertram), Jöats (Geurts), Wieëts (Wierts).
Rs(t) wordt tot sj: basjte, angesj, busjtel, donnesjtieg; in betoonde lettergreep ontwikkelen
zich weer zwevende tweeklanken in veësj (Ferse), jeësj (gerst), kieësj, knoeësj, doeësj,
woeësj, koeësj enz.. Vgl. de namen: Van Weësj (van Wersch), Kupesj (Kuypers) enz..
Dit verschijnsel treedt ook op in de vervoeging en verbuiging, wanneer er de combinatie
rs(t) voorkomt: huesj te (hoor je), vieësj te (vaar je), duesjte(duurste), verder vuesjte, hingesjte, ungesjte, ieë(t)sjte; jet lekkesj; de meervouden: kluestesj, pastuesj enz.
De verbinding –al en –ol voor d en t, maar ook voor s en ƒ ontwikkelde zich tot ao en oo;
ter vergelijking: het Du. heeft alt, Gold, halb, Hals; het Ned. oud, goud, half, hals enz.;
zaots, kaod, aod, haode, haof, kaof, haos; jood, hoots, sjtoots, boots, sjood en de werkwoordvormen: wool (wollte), jool, jejole (gold, gegolden) enz. Vgl. de naam Sjotes
(Scholtes).
Werd daarna de d uitgestoten, dan ontstonden tweeklanken als: hauwe, vauwe (falten), bauw
(bald), sjpauwmoer (spalten), vauwere (verwant met valdeur), sjauw (Schalde, grendel).
Zoals in een aantal Limburgse dialecten, heeft in het Kerkraads een verzachting van s tot
sj plaatsgevonden (zgn. mouillering van s):
– aan het begin van een woord in de verbindingen sl, sm, sn, sp, st en sw (Panninger
linie): sjlisse, sjlaag; sjmid, sjmaache; sjnei, sjnórke; sjprèche, sjpot; sjtee, sjtoa,
sjtriet; sjwere, sjwoar;
– als ontwikkeling uit een oorspronkelijke sk (Panninger zijlinie) en wel aan het begin
van een woord (Ned. sch): sjrieve, sjótsel, sjun en aan het eind (Ned. -s, vroeger gespeld
-sch): visj, valsj, vleesj, miensj enz.
Een meer algemeen verschijnsel, dat ook optreedt in het Nederlands en in de dialecten ten
oosten en ten westen van Kerkrade, is de uitstoting van d na een lange klinker en voor een
onbetoonde e. Gevolgen in het Kerkraads:
– het leidde tot verlies van een lettergreep als de e in de stamklinker opging: sjaa, vaam,
zaal (zadel), vlaam, weer, voor, broor, buul, hu; en meervouden als: blaar, raar enz.;
– er ontstond een zwevende tweeklank: boam, doar (dooier), oame, Kirchroa, boa, koajong;
en voor de e van de uitgang: wieë, sjnieë, loeë, roeë hoare enz.;
– het leidde tot het ontstaan van een tweeklank. Er ontwikkelde zich als overgang naar de
volgende klinker na een e-klank een j en na een a– en o-klank een w, die zich met de
voorafgaande klinker verbonden tot een tweeklank: tsevreie, kleier, blouwe, rouw
(roede), tsemouw (te moede), de deelw. jesjneie, jesjtreie, jereie, jeleie; breie naast
breed, jouwe naast jód, kauwe naast kaod en auwe naast aod.
Ook de –g– tussen vokalen wordt soms uitgestoten: reëne, ziech zeëne, aat st, maad st,
waan.
Voor gebruik en functie van de umlaut in het Kerkraads kunnen wij verwijzen naar de
spraakkunst. Men zou er nog op kunnen wijzen dat verschillende achtervoegsels umlaut
bij het grondwoord kunnen veroorzaken. Zo het achtervoegsel –er dat personen vormt, b.v.
inne köaler, bekker, sjlechter, Hollender, Kirchröadsjer. Verder het abstracta vormende –te,
bij ons altijd –de: huegde, jruesde, lengde, wermde, krefde, krengde.
Een eind –t valt weg na een scherpe spirant: kis, rós, bros, deens; mach, jach; kraf, zaf, hef,
sjoef, lóf; lies sl, kaos enz., behalve waar die een onderscheidende functie heeft, b.v. in de
3de pers. teg. tijd: heë nist, ook in jenisd enz.
De oudgerm. ai (in het Ned. ee of ei, Du. ei) is in het Kerkraads in alle gevallen ee geworden:
breed, heem, vleesj, eje, besel (tenzij er voor bepaalde medeklinkers verkorting
plaatsvond b.v. kling, ring, hillieg) maar waar ze in het Duits ee werd, nl. voor r, h en als
auslautklinker, ontwikkelde ze zich bij ons tot ie(ë): ier, lier, kier, lieëne, rieë, wieë, zieë
(vgl. Ehre, Reh, See enz.).
S in het begin van een woord voor een klinker komt niet voor; waar ze oorspronkelijk wel
stond, nl. in aan het Frans ontleende woorden, werd ze door ts vervangen: tsoep, tsoat,
tsaos, tsoldaat, tsakker, tsint, tselderij, tservet.
Bij de totstandkoming van dit hoofdstuk en de twee voorafgaande heb ik mogen profiteren
van de aanwijzingen en correcties van drs. J. Zwanikken, waarvoor mijn oprechte
dank. Ook een woord van dank aan de andere commissieleden, die deze hoofdstukken met
kritische blik hebben doorgelezen.
L.W WIJNEN
