Inleiding
Het lidwoord
Het zelfstandig naamwoord
Het bijvoeglijk naamwoord
Het voornaamwoord
Het werkwoord
Spraakkunst / grammatica
| De gemeentelijke werkgroep Dieksiejoneer 2013-2016 heeft de grammatica uit de eerdere uitgaven van de Dieksiejoneer kritisch doorgelicht en kleine aanpassingen, aanvullingen en correcties opgenomen. Ook hier zijn de wijzigingen in de spellingsregels verwerkt. Daarnaast heeft de werkgroep de layout overzichtelijker gemaakt vanuit de gedachte en de hoop dat belangstellende dialectmensen er hun voordeel mee kunnen doen. Al te specifieke grammaticale termen zijn indien mogelijk weggelaten. |
Inleiding
Het is weinig gebruikelijk in een woordenboek een grammatica op te nemen. Bij de bewerking van het lexicologische deel bleek echter, dat in een woordenlijst onmogelijk recht kan worden gedaan aan de veelheid van vormen die het dialect vertoont. Tegelijk rees de vraag of en in hoeverre er samenhangen konden worden ontdekt en regels konden worden geformuleerd, waarin de taalkundige verschijnselen konden worden samengevat. Tot nu toe (tot 1987 dus) waren er met betrekking tot ons dialect nog geen pogingen daartoe ondernomen. Hier is een begin gemaakt, met behulp waarvan men zich een denkbeeld kan vormen van de bouw van het Kerkraads dialect. Men zou er ook uit kunnen putten bij een vergelijkende studie van de dialecten. Een grammatica vanuit en in samenhang met het Ripuarisch-Frankisch, waartoe het Kerkraads behoort, zou een interessant studieobject kunnen zijn.
Uitgangspunt voor de opzet van deze grammatica is de gewone Nederlandse grammatica. De indeling en de formuleringen zijn daaraan ontleend. De behandeling geschiedt volgens de woordsoorten, maar niet alle woordsoorten worden besproken, In enige gevallen kon worden volstaan met de vermelding in de woordenlijst, vergezeld van enkele voorbeelden. De woordvorming blijft onbesproken.
Enkele praktische opmerkingen:
– Bij de sterke werkwoorden is van de verleden tijd zowel de enkelvouds- als de meervoudsvorm genoemd. Dit is niet alleen historisch juister, maar biedt ook de gelegenheid te wijzen op enige bijzondere kenmerken. Daarom worden dubbelvormen hier niet genoemd. Men kan daarvoor terecht in de woordenlijst.
– Sommige regels konden niet worden geformuleerd zonder een korte verklaring over het ontstaan van de vormen.
– Verwijzingen naar de Duitse grammatica lagen soms voor de hand, maar blijven meestal achterwege.
– Syntactische eigenaardigheden, zoals de 2de naamval-s in d’r Fransens Joep komen slechts ter sprake voor zover ze in de grammatica konden worden ingepast.
Ook van dit hoofdstuk is de bedoeling enig inzicht te geven in en interesse te wekken voor het dialect bij de Kerkradenaren en eventueel bij andere dialectsprekers. Verondersteld wordt dat de Nederlandse benamingen voor taalkundige verschijnselen het meest bekend zijn. Ze zijn dan ook zoveel mogelijk gehandhaafd. Alleen bij het werkwoord maken wij kortheidshalve gebruik van de internationale terminologie. Voor het beter begrip zijn de regels toegelicht met veel voorbeelden. Ook is er gestreefd naar een duidelijke formulering.
Het lidwoord
Het lidwoord (bepalend en onbepalend):
enkelvoud meervoud onbepalend
mannelijk: d’r man de manslu inne man
vrouwelijk: de vrauw de vrauwlu ing vrauw
onzijdig: ’t kink de kinger e kink
ook als telwoord (een)
Mar inne man woar d’rtjeën. Alle angere woare d’rvuur!
Nit tswai mar ing vrauw woar doa an ’t kaoche!
Die lu hauwe mar dat ee kink > Let op: onbepaald lidwoord e, telwoord is ee
Het lidwoord bij eigennamen:
enkelvoud meervoud met 2de naamval in
mannelijk: d’r Joep de Joepe d’r Fransens Joep
d’r Piet de Piete d’r Poeëkens Piet
vrouwelijk: ’t Lies de Lies-jer ’t Rittens Lies
onzijdig: ’t Juupje de Juupjer ’t Jillekirchens Juupje
Hier komt dus bij mannelijke, vrouwelijke en onzijdige namen soms ook de genitief-s van die 2de naamval.
Andere voorbeelden: d’r Sjelens Dolf (familie Schelen), ’t aod Hennens hoes (familie Hennen), de Viejens wei (familie Vijgen), ’t Dukesj Jès-je (familie Duykers).
Samentrekking: (assimilatie)
Bij plaatsbepalingen komen na een voorzetsel vormen met jen (een aanwijzend voornaamwoord) in de plaats van het bepalend lidwoord, en wel bij vrouwelijkeen onzijdigewoorden. Zo bijvoorbeeld:
óp jen Hoots, óppen Hoots, Hei, Jraat, koel, sjtroas;
a jen Eng, a jen doof joa; door samentrekking ook an: an doof joa;
i jen Ham (sl), hoes, loeët; door samentrekking ook in;
va jen daach valle; die sjtamme va jen Vink; door samentrekking ook van;
vuur jen, vuren duur; oes jen, oesen kirch kómme; ónger jen, óngeren tieëk.
Bij mannelijkewoorden is de vorm:
óppene Maat, i jenne sjtal, maar ook óp d’r Maat, in d’r sjtal.
Bij onzijdigewoorden is de vorm je en jen; noa je werk, i je(n) lief.
Het Nederlandse zo’n (zo een):
enkelvoud meervoud
mannelijk: zoene man (zónne) zoeng manslu
vrouwelijk: zoeng sjladder (zóng) zoeng sjladdere
onzijdig: zoeë fes zoeng fester
zo’n met nadruk:
Dat is zoene keël inne! Dat is zo’n vent!
Dat is zoeng tant ing! Dat is zo’n tante!
Dat is zoeë kink ee! Dat is zo’n kind!
Het zelfstandig naamwoord
Het geslacht: mannelijk (m), vrouwelijk (v) of onzijdig (o)
Alle zelfstandige naamwoorden hebben een vast woordgeslacht. Het bewustzijn van deze drie geslachten is in het Kerkraads nog steeds springlevend, maar is tanende. Het komt tot uiting in de woorden die het zelfstandig naamwoord begeleiden, zoals het lidwoord, het bijvoegelijk naamwoord, andere voornaamwoorden en in de voornaamwoordelijke aanduiding.
Voorbeelden:
Mannelijk: d’r plai, d’r sjteewèg, d’r hof of d’r maat: heë of deë is nuits pavaid, of: ze hant ’m nuits pavaid.
Vrouwelijk: de vinster, de hoeët, de poats of de duur: iech han ze tsouwjedoa, die han iech tsouwjedoa, ze sjtong óp.
Onzijdig: ’t ai, ’t laoch: (ai) Iech han ’t losse valle. (laoch) Heë hat ’t jans mit drek vol jewórpe.
Personen worden overeenkomstig het natuurlijke geslacht aangeduid met het lidwoord en
het voornaamwoord voor mannelijke dan wel vrouwelijke woorden:
d’r man – de vrauw – ’t kink
Dieren hebben een eigen woordgeslacht, tenzij men nadrukkelijk de sekse wil aanduiden:
D’r sjtier – de kouw – ’t kaof
D’r bier – de zouw – ’t verks-je
Zoals reeds gezegd, plaatst men voor eigennamen het bij de sekse passende lidwoord. Bij
de vrouwelijk voornaam het lidwoord ’t, als men over een vrouw spreekt met wie men vertrouwelijk omgaat. In dat geval duidt men haar in onderwerpspositie aan met het pers.
voornaamwoord ’t en het aanwijzend voornaamwoord dat, in voorwerpspositie (lijdend voorwerp) met ’m en dem:
Voorbeelden:
’t An? ’t Woar nit óp d’r kirkhof. Iech han ’m óch nit in kirch jezieë. Iech han nog noa ’m jekèke.Of: Dat woar nit óp d’r kirkhof. Dem han iech óch nit in kirch jezieë. Óp dem hauw ich waal jerechend.
Het beklemtoonde het, dat en vaak ook heur hebben in zo’n geval een ongunstige (negatieve) gevoelswaarde: Kiek hét doa, dat sjpilt ziech evver jet aa! Wat zeës te va heur doa!
Het meervoud van de zelfstandige naamwoorden
Het meervoud van een zelfstandig naamwoord wordt gevormd met of zonder uitgang. Als
uitgangen komen voor:
1) de uitgang -e: Deze uitgang is de meest voorkomende.
sjtrief – sjtriefe
sjtroas – sjtroase
zaach – zaache, > ook: zaachens
kasjtai – kasjtaie
vieg – vieje
zeëg – zeëje
krankheet – krankhete
pater – patere.
Met verzachting van de slotmedeklinker:
rub – rubbe (knol, horloge)
naas – naze
kuusj – kuuzje
pieëdsj – pieëdzje
vroag – vroage
herrek – herregke.
2) de uitgang –er
– bij onzijdige woorden:
ai – aier
daach – daacher
hats – hatser
hoes – hoezer >ook: huzer
wief – wiever
– met umlaut / klankverandering:
bóch – bucher
kroed – kruder
– met uitstoting van d:
blad – blaar >ook: bleer
rad – raar of reer
bred – breer
kleed – kleier
– bij verkleinwoorden is algemeen gebruikelijk de uitgang -jer: efjer, druupjer, plents-jer, aisjer. Vaak nog met een -e onder invloed van de gewone meervoudsvorm: meëdsjere, muulsjere.
3) de uitgang -s, vaak samen met umlaut / klankverandering:
plavong – plavongs, keël – keëls, pastoer – pastuesj, kloeëster – kluestesj, waan – waans.
Bij de woorden op een klinker of toonloze -e komt er vaak nog een t voor de s (gebeurt vaak voor de uitspraak): kieloots, monnekaats, perrepluuts, vräölets, talliejets, hemmets, dekkets.
4) geen uitgang, vaak samen met umlaut / klankverandering:
Vaak gaat dit gepaard met umlaut: pansj – pensj, tak – tek, sjtok – sjtök, vlók – vluk, pool
– peul, sjtoets – sjtuuts, hoak – höak, vloeë – vluje enz.
Gepaard met verschil in intonatie: derm(sl) – derm (st), boom – boom (ook beum), peëd(sl) – peëd (st), daag (sl) – daag (st), sjtil – sjtil.
Een combinatie van deze factoren vindt men in sjtórm – sjturm met verandering van de slotklinker: hank – heng, hónk – höng.
De oorspronkelijke vorm van het woord komt in het meervoud weer te voorschijn, o.a. in
kis – kiste, lies – lieste, jesjef – jesjefter, jardieng – jardienge, sjoef – sjoefte (schoft).
Man, mv. mander of manslu komt voor in samenstellingen bij beroepsnamen -lu (b.v.
plieësterlu, voorlu), anders -mander (b.v. printemander).
5) geen uitgang:
Het uitgangloze meervoud komt o.a. voor bij: eëpel, bee, zöng, sjtrich.
Het verkleinwoord
Het verkleinwoord wordt gevormd met behulp van een achtervoegsel; daarbij krijgt het woord umlaut als de klinker van het grondwoord daarvoor in aanmerking komt. Dit geldt niet voor de u.
De achtervoegsels bij het verkleinwoord zijn:
1) -je, als het woord eindigt op s, sj, f, p:
Op s > huus-je (hoes), sjäös-je (sjaos), sjtets-je (sjtats), Lies-je (Lies), Friets-je (Friets)
Op sj > pensj-je (pansj)
Op f > heufje (hoof)
Op p of b > köpje (kop), Kuebje (Kueb)
Gaat het woord uit op ch, (g), k, ng en nk, dan wordt er tussen het grondwoord en de
uitgang een -s- gevoegd:
Op ch > buchs-je (bóch)
Op g > weëgs-je (wèg), böags-je (boag)
Op k > huuks-je (hoek), jurks-je (jórk)
Op ng > sjpengs-je (sjpang), maar ook sjpengsje en sjpenke
Op nk > nunks-je (nónk), bank (benks-je), mer cassettebenke!
2) -sje, als het woord eindigt op een klinker of tweeklank of op een onder 1) niet genoemde medeklinker: (bij deze woorden wordt steeds vaker ook de uitgang –tje gebruikt)
Op klinker.> Mariesje (Marie), aisje (ai)
Op andere medeklinker > mensje / mentje (man), heënsje / heëntje (haan), veënsje / veëntje (vaan), keëlsje (keël), bechersje (becher), väusje (vauw), belsje/beltje (bal),
Keersje/keertje (kaar), weënsje/weëntje (waan), blömsje (blom), hudsje (hód), ruutsje (roet))
De uitgang -sj is in opmars bij de onder 1) genoemde woorden, behalve bij die op s, sj,
f en een c/z-klank. Zo hoort men ook: huuksje, sjtuksje, zeksje, röksje, sjpengsje, benksje
enz.
De uitgang –je is in opmars bij woorden die eindigen op d of t ten nadele van de uitgang –sj. Zo hoort men ook vaak hudje, bledje, ruutje, meëdje, lidje.
3) -ke, woorden die uitgaan op -nk, vormen hun verkleinwoord met -e, wanneer deze -nk is
ontstaan uit -nt.
Voorbeelden:
hank – henke (vgl. Ned. hand. Du. Hand) Zo ook: vrunk – vrunke, kink – kinke, wink – winke, pónk – pönke, mónk – mönke, hónk – hönke, wank – wenke, rank – renke, tsank – tsenke, bank – benke(band, ceintuur).
Door uitbreiding ook bij woorden op -ng, meestal ‘gefühlsbedingt’: jönke, sjönke, Sjenke, e jode sjpenke en e rinke mit e sjtinke(ring met een steentje).
De naamvallen
Resten van oude naamvalsvormen zijn nog bewaard in enige vaste verbindingen en uitdrukkingen, zoals:
Tweede naamvalsvormen (vaak met -s): Hu tse daags, óngerweëgs, noaderhanks, heë woar des däuvels, um Joddes wil, Jods wasser uvver Jods leem lofe losse, de Modder Joades, e Joads jeluk han; heë is bekankd wie luesj hónk; ing hatsens-jouw vrauw; d’r nónk zieëliejer (jedechnis), vöal jeluks óp d’r namensdaag.
Derde naamvalsvormen: tse jidder tsiet, in d’r tsiet, in d’r wiel (intussen), va hatse.
Lijst met meervoud en verkleinvorm bij zelfstandige naamwoorden met o en ó:
Deze lijst bevat voorbeelden van klankverandering bij zelfstandige naamwoorden waarbij in het meervoud en/of bij het verkleinwoord de overandert in öen de óverandert in u:
o > ö
blom > blomme > blömsje
dokter > doktere > döktersje
Herrejod > Herrejödsje
hof > höfje
hon > honder > hönsje
jong > jonge > jöngs-je
kop > köp > köpje
modder > moddere > möddersje
mop > möp > möpje
ort > örtsje
pot > pöt > pöt(s)je
ó > u
bóks > bókse > buks-je
brónk > brónke > brunks-je
hód > hud > hudsje
hós > hus-je
nónk > nónke > nunks-je
pómp > pómpe > pump(s)je
pónk > punke/punks-je
póp > póppe > pupje
vólk > vólker > vulks-je
vós > vus > vus-je
vót > vut > vutsje
uitzondering:
tsong > tsonge > tsunke/tsungsje
hónk > höng > hönke
Het bijvoeglijk naamwoord
In zijn verbogen vorm gaat het bijvoeglijk naamwoord uit op -e. Bij onzijdige zelfstandige naamwoorden volgt er geen uitgang.
mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
bepaald lidw d’r klinge man de kranke vrauw ’t braaf kink de rieche lu
onbep. lidw inne jroeëse jaad ing dikke noos e deep laoch jing nase vus
zonder lidw wiese wien kótte tsiet vreëm jeld zusse biere
zelfstandig gebruikt als volgt:
mannelijk vrouwelijk onzijdig
d’r, inne rieche de, ing sjwatse ’t, e klingt
De verbuiging is na aanwijzende voornaamwoorden hetzelfde als na het bepalend lidwoord (d’r, de en e):
mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
dizze klinge man dis kranke vrauw dis braaf kink dis rieche lu
De verbuiging is na woorden als jinne, jing, jee en na de bezittelijke voornaamwoorden hetzelfde als na het onbepaald lidwoord (inne, ing, e)
mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
miene klinge man mieng kranke vrauw mie braaf kink mieng rieche eldere
jinne klinge man jing kranke vrauw jee braaf kink jing rieche eldere
Uitzonderingen:
Soms valt de buigingsuitgang weg. Bijvoorbeeld in het vrouwelijk enkelvoud en in het meervoud als het bijvoeglijk naamwoord eindigt op een tweeklank of op r, l, m, n, ng:
vrouwelijk meervoud
ing näu vrauw (2-klank) (zuinig) de jouw sjong (2-klank)
ing sjui doef (2-klank) (schuw) de brei sjtroase (2-klank)
de hel noos (l) auw lu (2-klank)
ing duur bloes (r) sjwoar tsiete (r)
de erm vrauw (m) vaal klure (l)
ing sjun broet (n) erm lu (m)
die lang lats (ng) jreun eppe (n)
bang kinger (ng)
Dit geldt ook voor de vergrotende trap: ing jroeëser toeët, besser tsiete.
Onveranderd blijven:
– de bijvoeglijke naamw. op -e > eje, d’r eje man,
– de voltooide deelwoorden van sterke werkwoorden > jebakke, d’r jebakke kóch,
– de stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden > ’t jode armband en
– een paar andere, zoals bijvoorbeeld aofe (van óp) > ing aofe duur.
Plaatsnamen bijvoeglijk gebruikt:
Bijvoeglijke naamwoorden die van plaatsnamen zijn afgeleid hebben altijd de onverbogen, vaste uitgang -er: Kirchröadsjer meëdsjer, de Sjevemeter Jonge, d’r Nulleter Sjaat, de Heidsjer kirmets.
Een oude uitgang is bewaard in het zelfstandig gebruikte onzijdige bijvoeglijk naamwoord, dat zowel voor personen als voor zaken kan worden gebruikt. Bijv: ’t klingtis meestal het jongste kind; ’t leeft, ’t sjuntzal een meisje zijn; ’t jeëlt, e nuit, e angert(een jurk).
Algemeen gebruikelijk is de 2e naamval-s na woorden als: jet, vöal, nuus, jee, winnieg.
Bijv: jet klings, bessers; nuus nuits, lekkesj; vöal jóds; iech wil va dem jee koads
hure; va deur liers te winnieg jesjeids.
Dubbelvormen door verbuiging
oorspronkelijk verbogen vorm
aod auwe
kaod kauwe
jód jouwe
loa lauwe
breed breie
wied wieë
roeëd roeë
doeëd doeë
broen broenge )
blink blinge )stemloos wordt stemhebbend
rónk ronge )
jezónk jezonge )
De nevenvormen (de 2de vormen) komen voor in alle verbogen posities. De oude vormen komen vooral voor bij onzijdige zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en bij gebruik als naamwoordelijk deel van het gezegde.
mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
d’r kauwe wink ing kauw naas e kaod tsimmer kauw vus,
als naamwoordelijk deel van het gezegde: ’t is kaod;
inne breie wèg de brei sjtroas e breed band brei voere
als naamwoordelijk deel van het gezegde: de vaat is breed, inne wèg breed aalegke
inne jouwe De Roeë (de Rooien)
inne jezonge de blinge
De trappen van vergelijking worden van deze nevenvormen gemaakt: kaod – kauwer –
käudste; broen – broenger – broengste; wied – wieër – wiedste.
Trappen van vergelijking
De vergrotende trap wordt gevormd met -er, de overtreffende trap met -ste
sjun sjunner sjunste
kót kótter kutste
Eindigt het woord op -r, dan in vergrotende trap uitgang -der
kloar kloarder kloarste
Eindigt het woord op -s, dan in overtreffende trap -te
hees heser heeste
De overtreffende trap heeft soms umlaut: (umlaut betekent dat de klank verandert)
jroeës jroeëser jruetste
hoeëg hoeëger huekste
sjwoar sjwoarder sjwöarste
jónk jonger jöngste
aod auwer äudste
kaod kauwer käudste
noa noader nöakste
Afwijkende trappen van vergelijking:
jód – besser – betste
vöal – mieë – mieëtste
jeer – livver / lever – lifste / leefste
De overtreffende trap gaat ook als bijwoord uit op -e:
Deë vlaam han iech ’t lifste.
Doe has ’t helste jesjraid.
Geïsoleerde vormen als overtreffende trap gevoeld zijn o.a.:
hingesjte, ungesjte, vuesjte, öavesjte, böavesjte, userste.
Het voegwoord van vergelijking is wie:
Heë is auwer wie zie broor.
Deë is zoeë of eëve aod wie miene pap.
Bij persoonlijke voornaamwoorden gebruikt men in vergelijkingen de onderwerpsvormen:
Heë is auwer wie iech (bin).
Iech bin eëve jroeës wie heë (is).
Heel vaak gebruikt men hier ook de voorwerpsvormen:
Heë is auwer wie miech.
Iech bin eëve jroeës wie hem.
Het voornaamwoord
In dit hoofdstuk worden de volgende voornaamwoorden besproken:
- Het persoonlijk voornaamwoord
- Het wederkerende en wederkerige voornaamwoord
- Het bezittelijk voornaamwoord
- Het aanwijzend voornaamwoord
- Het vragend voornaamwoord
- Het betrekkelijk voornaamwoord
Het persoonlijk voornaamwoord:
onderwerpsvorm reductievorm voorwerpsvorm reductievorm
enkelvoud (spreektaal) enkelvoud (spreektaal)
1 iech 1 miech
2 doe -te 2 diech
3 heë, zie, het e, ze, ’t 3 hem, heur, het ’m, ’r, ’t
meervoud meervoud
1 vier (vuur) v’r 1 ós
2 ier, uur ’r 2 uuch (jullie/je/u)
3 zie ze 3 hön(personen), ze(anders)
Van de vormen met toonloze e komt -te enkel voor in enclise (een onbeklemd woord volgt een voorafgaand beklemd woord). Men vindt dit in vormen als:
Has te / bis te / weëds te / wóts te / sjlieëfs te / hat e / is e / weëd e / wós e / sjlieëft e /
Hat ’r / zut ’r / weëd ’r / wóst ’r / sjloft ’r.
Wij = vier. Steeds vaker wordt ook “vuur” gebruikt. Vuur betekent echter nl > 1 ’t vuur = het vuur. 2 voor Vuur diech jon iech durch ’t vuur(Voor jou ga ik door ‘t vuur).
Enclise (samenvoeging, samentrekking) vindt ook plaats na sommige vragende en betrekkelijke voomaamwoorden: weë, wem en wat. Verder bij: woa, wienieë, woarum, woarin enz. Ook bij sommige voegwoorden als bijv. dat, of, wie, wen(t) en ier.
In de 2de persoon enkelvoud wordt dan een –s of een -ts ingelast. Na een klinker of een zwevende tweeklank wordt een -t ingelast en in de 2de persoon meervoud voegt men een -d in.
Voorbeelden:
Wie-ts te zeës / woa-ts te bis / of-s te mitdees / dat-s te / wen(t)-s te / ier-s te ook: ieë-sj te /
wie d’r zaat / woa d’r zut / of d’r mitdut
Soms zijn er ook 2de naamvalsvormen: Die lu verdene in inne mond, woa ózzer inne e haof joar vuur mós wirke. Wils te e paar eppel han, iech han ’s/d’r/d’rs jenóg.
Het wederkerende en wederkerige voornaamwoord:
(ziech erjere = zichergeren, ziech bejieëne = elkaarontmoeten)
Het wederkerende en wederkerige voornaamwoord voor de derde persoon is ziech: ziech
erjere, ziech verdoeë; ziech klöppe, ziech bejieëne, zich jelieche wie tswai drupe wasser;
vier zient ós jeliech wal. We zien elkaar straks wel.
Het gebruik van een bijwoord ter vervanging van het wederkerige voornaamw. na een
voorzetsel vindt in het Kerkraads een ruimere toepassing dan in het Nederlands. Naast
bijee, óngeree, oesee, durchee o.a. ook: vanee, neëvenee, mitee, noa-ee, van, naast, met,
na elkaar.
Algemeen gebruikt zijn wederkerende constructies als ziech jet jelde, hoale, neëme. (NL: iets kopen, iets halen, iets pakken) Ook: ziech beëne, ziech zeëne, ziech biechte, ziech bedanke. (NL: bidden, zegenen, biechten, bedanken)
In plaats van het bezittelijk voomaamwoord wordt, evenals in het Duits, het wederkerend voornaamwoord plus het bepaald lidwoord gebruikt in uitdrukkingen als: Ziech d’r nak brèche; ziech de heng wèsje (zijn/de nek breken, zijn/de handen wassen) (Niet: ziene nak brècheenz. Want dan doet iemand anders dat!)
Het bezittelijk voornaamwoord:
Bijvoeglijk gebruikt
mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
1 miene mieng mie mieng
2 diene dieng die dieng
3 ziene, heure (vr) zieng / heur (vr) zie / heur (vr) zieng / heur (vr)
1 ózze ós ós ós
2 une, uunge, ure uur, uung uur, uu uur, uung > NL: jullie, je, u
3 hönne hön hön hön
Zelfstandig gebruikt
Deze bezittelijke voornaamwoorden zijn gelijk aan de bijvoeglijk gebruikte, behalve in het onzijdig enkelvoud, dat altijd uitgaat op -t: Blief doe óp ’t diengt, da blief iech óp ’t miengt.
Jidderinne ’t ziengt. Ook: ’t óst, ’t uurt of uungt, ’t hönt (ook: hön ’t ziengt).
Het zelfstandig gebruikte bezittelijk voomaamwoord wordt, als in het Nederlands, vaak als volgt omschreven: deë, die, dat va miech/diech/hem/heur enz.
Voor de verwantschapsnamen vadder, modder, jroeësvadder, jroeësmodder, broor, sjwoajer,
fetter en het woord kammeraad komen de verkorte vormen mie, die, zie voor; ook heur en
hön bij mannelijke woorden: mie kammeraad, hön vadder.
Het aanwijzend voornaamwoord:
bijvoeglijk gebruikt
mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
dizze dis dis (dit) dis dis kinger > deze kinderen
deë die dat die die kinger > die kinderen
zelfstandig gebruikt
mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
deë die dat die als onderwerp
dem die dat die als voorwerp
deur(persoon) dön(personen)
Deë (man) deet dat nit.>Die man doet dat niet.
Dem han iech de woarheet jezaad.> Hem heb ik gezegd, waar het op staat.
Over het gebruik van dem en dat voor een vrouwelijk persoon is bij het woordgeslacht van
het zelfstandig naamwoord gesproken.
Een soort 2de naamval (betekenis van) wordt in de 3de persoon als volgt omschreven:
dem ziene man > de man van haar / haar man
dem zieng vrauw > de vrouw van hem / zijn vrouw
dem zie jesjef > de winkel van hem of van haar / zijn of haar winkel
deur heur(e) mam / pap > de moeder / de vader van haar / haar moeder / vader
dön hön kinger > de kinderen van hen / hun kinderen enz.
Ook bij het vragende voornaamwoord komt dit voor: wem ziene/zieng/zie.
Voornaamwoordelijke bijwoorden, niet in gebruik bij personen, zijn: heimit, heiva(n), heilangs enz., doamit, doa-óp, doabij enz., waarvan de delen ook gesplitst worden: hei hant
ze uvver jelofe; doa kanste nit mit sjrieve.
Het vragende voornaamwoord:
Zelfstandig gebruik:
weë (wem) vraagt naar personen > Weë hat dat jezaad? (Wie)
wat vraagt naar zaken > Wat has te doa? (Wat)
Na weë staat het werkwoord in het enkelvoud.
In plaats van wat, voorafgegaan door een voorzetsel, gebruikt men veelal een voornaamwoordelijk bijwoord: Mit wat/woamit has te dat aajesjtrèche? Noa wat/woahin sjtunt die tse kieke?
Bijvoeglijk gebruik:
In het enkelvoud: wat vuur inne/ing/e;
voor het meervoud: wat vuur B.v. Wat vuur biere hauwt ’r jeer?
Bij uitroepen is wat inne/inge/e in gebruik, waarbij het lidwoord in het meervoud wegblijft.
Wat-s te nit zeës! (Wat zeg je me nou!). Wat e weer! Wat sjlim tsiete hant v’r hu tse daags!
Het betrekkelijk voornaamwoord:
mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
deë / dem die dat die
d’r jong, deë…. De bejieng, die…. ’t Peëd, dat…. De manslu, die….
Ze worden na een voorzetsel vaak vervangen door een voornaamwoordelijk bijwoord, en dat niet alleen bij zaken: ’t Meëdsje woamit (mit dem) iech danse bin jejange.
Weë (wem) en wat worden ook als betrekkelijke voornaamwoorden gebruikt. Het zijn betrekkelijke voornaamwoorden met ingsloten antecedent. (weë = d’rjinnieje deë). Deze gebruikswijze verschilt niet van die in het Nederlands.
Voorbeelden:
Weë jluklieg wil sjterve, lieët de reëte erve.
Wem me nit zoog, dat woar d’r Piet.
Wat d’r boer nit kent, vrees te nit.
Is dat alles wat-s te has mitbraad?
Het werkwoord
De nominale vormen van het werkwoord of de basisvormen.
Bij het werkwoord onderscheiden we een viertal basisvormen:
infinitief verleden tijd voltooid deelwoord (tegenwoordig deelwoord)
Sjpieële sjpieëlet jesjpieëld sjpieëlend
De kinger sjpieële ze sjpieëlete ze hant jesjpieëld sjpieëlende kinger
De infinitiefeindigt op -e
bukke, lofe, vroage, sjmiese, zieë, doeë (ook: don). Dezelfde onduidelijke eindklinker hoort men ook in: joa, sjtoa en sjloa (naast jon, sjton, sjlon). Apart: han.
Bijzonderheden bij de infinitief:
- De plaats van het hulpwerkwoord in een afhankelijke zin (bijzin) is achter het hoofdwerkwoord:
’t Is jód dat-s te kómme bis;
Leed vermiert ziech, went me nit druvver sjprèche kan.
- Als in een zin twee infinitieven op elkaar volgen, staat het hulpwerkwoord voorin:
Doezóts dat zieë losse!
Kans te miech ing hank helpe kómme?
- Onder invloed van een volgende infinitief wordt het voltooid deelwoord van het hulpwerkwoord verdrongen door de infinitief (Ersatzinfinitiv):
Heë hat nit wille loestere;
V’r hant mósse óphure vaweëje d’r reën.
Heë hat ing sjtond sjtoa kalle vuur jen hoes.
De poliese zunt ’m kómme hoale.
Ze hant miech helpe zukke.
Iech han diech nit hure kómme dis naat.
- Soms is de werkwoordelijke functie veranderd in die van een bijvoeglijke naamwoord:
e sjpieële kink (speels);
inne sjloffe tómmes (een slaapkop);
ing sjoebe prie (kijfziek);
e tsenke oas (plaagziek);
lofe oere (looporen)
Het is ing laache Trieng
Heë dreët de krolle mutsj
Dat is e moele vrommesj
Dat is inne zoefe Haini.
- Bij de werkwoorden blieve en joa is een andere constructie gebruikelijk:
Iech bin zitse blève.
Heë is werm wirke jejange/jange.
- In vaste uitdrukkingen komen genitiefvormen voor van de infinitief (zgn. gerundium): va zinnes zieë, kriesjensbreed, sjpieële um hauwens of um lieënens.
Het voltooid deelwoord
Bij zwakke werkwoorden gaat het voltooid deelwoord altijd uit op een –d, al of niet met verandering van de stamklinker. Alleen als de stam eindigt op –t eindigt ook het voltooid deelwoord op –t: kate – jekaat. In het Kerkraads dialect kennen we geen KOFSCHIP-regel. Het voltooid deelwoord wordt gevormd met behulp van het voorvoegsel je-.
sjpieële – jesjpieëld / moele – jemoeld
Bij sterke werkwoorden gaat het voltooid deelwoord altijd uit op een –e, al of niet met verandering van de stamklinker. Het wordt gevormd met behulp van het voorvoegsel je-.
sjrieve – jesjrève / sjterve – jesjtórve
Het voorvoegsel -je bij het voltooid deelwoord vervalt bij:
- werkwoorden die de klemtoon niet op de eerste lettergreep hebben. Dat zijn werkwoorden gevormd met een ander (eigen) voorvoegsel: tserbraoche, vertsald, benoame, onthaode.
- Bij samengestelde werkwoorden met de klemtoon op de werkwoordstam: ziech umhoeëd han; iech han miech uvverjeëve.
- Bij een groep werkw. meestal van Franse herkomst, die de klemtoon verderop in het woord hebben. De meeste gaan uit op -ere (Duits. -ieren): profetseid, kommandeerd, platsendeerd, prakkezeerd, trappeerd, tempteerd.
- Bij een zestal werkwoorden met perfectieve betekenis (voltooid) en hun samenstellingen. Het zijn: woa bis te blève? Ze hant miech nuus braad; heë is nit kómme; v’r hant nuus krèje; iech han jezoeëd, mar nuus vónge; weë is könnek woeëde? Ook: mitbraad, voetblève, oesvónge, aakómme enz.
Het tegenwoordig deelwoord
Het komt in twee vormen voor:
- Uitgang –nd > met werkwoordelijke betekenis voor een zelfstandig naamwoord: sjpieëlende kinger; pikkende honder.
- Uitgang –ns > met het karakter van een praedicatieve bepaling, het woordje a(l) wordt toegevoegd om het duratief aspect te versterken: al sjtoans; al lachens; al kroefens sjroebete de bejienge de jeng; a lofens. Voorbeeld: Heë jong al laachens noan sjoeël. Het sjtong al böakends tse sjtrieche.
De verleden tijd
We kennen bij de werkwoorden zwakke, sterke en onregelmatige werkwoorden.
De zwakke werkwoorden
Belangrijkste kenmerk van het zwakke werkwoord is de uitgang -(e)t in de verleden tijd en de uitgang –d bij het voltooid deelwoord:
Sjpieële – heë sjpieëlt – heë sjpieëlet – heë hat jesjpieëld(spelen van kinderen bijv.)
Spelen – hij speelt – hij speelde –hij heeft gespeeld
Sjpille – heë sjpilt – heë sjpillet – heë hat jing rol jesjpild(spelen in betekenis van doen)
De zwakke werkwoorden hebben bijna allemaal overal dezelfde stamklinker. Er zijn slechts heel weinig zwakke werkwoorden die een klankverandering van de stamklinker ondergaan in de verleden tijd en/of bij het voltooid deelwoord. We beperken ons tot onderstaande lijst:
tselle tsalt jetsald ook: bringe-braat-breët (conj)-braad
sjtelle sjtalt jesjtald dinke-daat-deët(conj)-jedaad
zetse zats jezatsd legke-laat-leët(conj)-jelaad
plukke pload jepload
doge doad jedoad
verkofe verkoad verkoad
zukke zoeët jezoeëd
hure hoeët jehoeëd
ziech bemuie bemuiet bemoeëd
neume nómp(t) jenómd
veule vólt jevóld
sjpeule sjpólt jesjpóld
dreume drómt jedrómd
sjudde sjód jesjód
Het zijn ook bijna allemaal werkwoorden waarbij steeds meer de zwakke, onveranderde klank aanwezig blijft: tsellet-jetseld, sjtellet-jesjteld, verkofet-verkoad, zukket-jezoeëd.
De sterk werkwoorden
Belangrijkste kenmerk van het sterke werkwoord is de klankverandering in de verleden tijd en/of in het voltooid deelwoord. Bovendien eindigt het voltooid deelwoord op –e.
Drinke – heë drinkt – heë drónk – heë hat jedrónke> sterk
Drinke – heë drinkt – heë drinket– heë hat jedrónke> onregelmatig
Onregelmatige werkwoorden
We zien bij de sterke werkwoorden een ontwikkeling waarbij in de verleden tijd ook steeds vaker de “zwakke” variant gebruikt wordt, dus zonder klankverandering en met de uitgang – (e)t.
Bij deze werkwoorden lopen de zwakke vormen (-et) en de sterke vormen (klankverandering) met name in de verleden tijd door elkaar en zijn heel vaak beide varianten mogelijk:
riese – rees/rieset – jerèse
verlizze – verloar/verlizzet – verloare
binge – bóng/binget – jebónge
sjterve – sjtórf/sjtervet – jesjtórve
sjere – sjoar/sjeret – jesjoare
ligke – loog/ligket – jeleëje
drage – droog/draget – jedrage
valle – vool/vallet – jevalle
De vervoeging van de werkwoorden
Zwak werkwoord:sjpieële
tegenwoordige tijd verleden tijd voltooid deelwoord gebiedende
iech sjpieël sjpieëlet jesjpieëld wijs
doe sjpieëls sjpieëlets sjpieël
heë (het, zie) sjpieëlt sjpieëlet tegenwoordig deelwoord sjpieëlt
vier sjpieële sjpieëlete sjpieëlend
ier (uur) sjpieëlt sjpieëlet
zie sjpieële sjpieëlete
Sterk werkwoord (ook onregelmatige):drinke
tegenwoordige tijd verleden tijd voltooid deelwoord gebiedende
iech drink drónk / drinket jedrónke wijs
doe drinks drónks / drinkets drink
heë (het,zie) drinkt drónk / drinkettegenwoordig deelwoord drinkt
vier drinke drónke / drinkete drinkend
ier (uur) drinkt drónkt / drinket
zie drinke drónke / drinkete
Iets meer over het sterke werkwoord:
Bij deze werkwoorden verandert de stamklinker in de verleden tijd en soms in het voltooid
deelwoord, terwijl het voltooid deelwoord uitgaat op -e. De stamtijden van deze werkwoorden vindt men in de woordenlijst. Toch lijkt het dienstig “Ablautsreihen” te onderscheiden in verband met klank- en intonatieverschijnselen die zich bij de vervoeging voordoen. In de loop der eeuwen hebben veel veranderingen en verschuivingen plaatsgevonden. Zo zijn er sterke werkwoorden overgegaan van de ene “Ablautsreihe” naar een andere. Ook zijn sterke werkwoorden soms geheel of gedeeltelijk zwak geworden, waarbij het voltooid deelwoord het meest resistent bleek en dus de sterke vorm behield. Naast de oorspronkelijke sterke verleden tijd is veelvuldig een zwakke in gebruik gekomen. Men raadplege de woordenlijst.
De verschillende “Ablautsreihen”:
- Met stamklinker ie
Infinitief sterk zwak voltooid deelwoord
sjrieve sjreef/sjreve sjrievet/sjrievete jesjrève
riese rees/rese rieset/riesete jerèse
krieje kreeg/kreje kriejet/kriejete (je)krèje
Met afwijkend volt. deelw. als –d is uitgesloten: lieje-leet-lete-jeleie; zo ook sjnieje, rieje, ziech sjtrieje. De verl. tijd heeft in het meervoud -t in plaats van -d. Deze klasse (Ned. ij, Duits ei) telt de meeste werkwoorden; o.a. sjtrieche, sjlieche, wieche, kieke, blieve, vrieve, sjwieje, kniepe, wieze enz.
- Met stamklinker ie of ui in het Nederlands (in het Duits meestal ie of au). De werkwoorden met stemloze medeklinker kroefe, zoefe, ruuche, jenisse, sjlisse hebben evenals sjisse: sjoos-sjose-jesjaose. Die met stemhebbende medeklinker:
Infinitief sterk zwak voltooid deelwoord
zoege zoog/zoge zoeget/zoegete jezoage/jezoegd
sjuve sjoof/sjove sjuvet/sjuvete jesjoave/jesjuufd
vluje/vleie vloog/vloge vlujet/vleiet/vlujete/vleiete jevloage
luje/leie loog/loge lujet/leiet/lujete/leiete jeloage
bedruje/ bedroog/bedroge bedrujet/bedrujete bedroage
bedreie bedreiet/bedreiete
beuje boog/boge beujet/beujete jeboage/jebeugd
ook: beie boan/boane beiet/beiete jeboane
verlizze verloar/verloare verlizzet/verlizzete verloare
vrizze vroar/vroare vrizzet/vrizzete jevroare
- Met stamklinker e en i in gesloten lettergreep:
Voor een velare nasaal (meestal –ng):
Infinitief sterk zwak voltooid deelwoord
binge bong/bónge binget/bingete jebónge
sjpringe sjprong/sjprónge sjpringet/sjpringete jesjprónge
zinge zong/zónge zinget/zingete jezónge
vinge vong/vónge vinget/vingete jevónge
Zo ook: jelinge, tswinge, rinne, dringe, vringe
Voor een velare nasaal + k (veelal –nk):
Infinitief sterk zwak voltooid deelwoord
drinke drónk/drónke drinket/drinkete jedrónke
Zo ook: winke, blinke, klinke, sjtinke en sjinke
Voor een dubbele nasaal (dubbele –n):
Infinitief sterk zwak voltooid deelwoord
bejinne bejon/bejonne bejinnet/bejinnete bejonne
Zo ook: sjpinne, jewinne, zinne.Maar ook: klumme, sjwumme, sjwelle
klumme klom/klomme klummet/klummete jeklomme
Voor andere medeklinkers:
Infinitief sterk zwak voltooid deelwoord
sjterve sjtórf/sjtórve sjtervet/sjtervete jesjtórve
trekke trók/trókke trekket/trekkete jetrókke
Zo ook: werpe, verberje, bederve, helpe, melke,treffe, sjrekke, sjmiltse en krimpe.
- Met stamklinker e in open lettergreep:
Infinitief sterk zwak voltooid deelwoord
sjere sjoar/sjoare sjeret/sherete jesjoare
sjwere sjwoar/sjwoare sjweret/sjwerete jesjwoare
sjteële sjtool/sjtole sjteëlet/sjteëlete jesjtoale
Zo ook: neëme, heëve, beveële, beweëje, treëne.
brèche brooch/brooche brèchet/brèchete jebroache
Zo ook: sjprèche, sjtèche
- Met stamklinker e (soms i)in open lettergreep en in het voltooid deelwoord:
Infinitief sterk zwak voltooid deelwoord
èse oos/ose èset/èsete (je)jèse
Zo ook:vrèse, verjèse, mèse, wèsje, zitse
leëze loos/loze leëzet/leëzete jeleëze
Zo ook: jeëve, ligke
- Met stamklinker a (oa) in open lettergreep:
Infinitief sterk zwak voltooid deelwoord
drage droog/droge draget/dragete jedrage
sjloa sjloog/sjloge sjlaget/sjlagete jesjlage
Zo ook: jrave, vare, wase
- Met gelijke klinker in de infinitief en in het voltooid deelwoord. Hier komt de zwakke vorm in de verleden tijd niet altijd voor. Samenstellingen met en afleidingen van deze werkwoorden vormen hun stamtijden op gelijke wijze.
Infinitief sterk zwak voltooid deelwoord heesje hoosj/hoosje heesjet/heesjete jeheesje
haode hool/hole jehaode
losse loos/lose jelosse
valle vool/vole vallet/vallete jevalle
Infinitief sterk zwak voltooid deelwoord
bloaze bloos/bloze bloazet/bloazete jebloaze
hange hong/hónge hanget/hangete jehange
vange vong/vónge vanget/vangete jevange
joa jong/jónge jejange
lofe leef/lefe lofet/lofete jelofe
róffe reef/refe róffet/róffete jeróffe
sjloffe sjleef/sjlefe sjloffet/sjloffete jesjloffe
Verandering van de stamklinker in de tegenwoordige tijd:
Enkele sterke werkwoorden veranderen van klinker in de 2de en 3de persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd.
- De volgende werkwoorden met stamklinker iof oe: (categorie 2)
Sjisse sjlisse verlizze vrizze zoefe kroefe
Iech sjis sjlis verlis vris zoef kroef
Doe sjuuts sjluuts verluuts vruuts zuufs kruufs
Heë sjuust sjluust verluust vruust zuuft kruuft
- Werkwoorden met een “gedekte e”in de stam voor een niet nasale medeklinker: (categorie 3) > ieë / i
Sjterve sjrekke helpe maar melke
Iech sjterf sjrek help melk
Doe sjturfs sjruks hulps melks
Heë sjturft sjrukt hulpt melkt
- Enkele werkwoorden met e-klank in de stam in open lettergreep (e-i-wisseling): (categorie 4 en 5)
jeëve heëve brèche sjtèche sjprèche (vr)èse
Iech jef hef brèch sjtèch sjprèch (vr)ès
Doe jieëfs hieëfs briks sjtiks sjpriks (vr)its
Heë jieëft hieëft brikt sjtikt sjprikt (vr)eest
Zo ook: verjèse, mèse, wèsje
- De volgende werkwoorden kennen ook een klankwisseling in de 2de en 3de persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd: (categorie 6 en 7)
drage sjloa vare jrave wase sjloffe losse haode vange hange valle
Iech drag sjlon vaar jraaf waas sjlof los haod vang hang val
Doe dreëgs sjlees viers jriefs wieës sjliefs lieës hils vings hings vils
Heë dreët sjleet viert jrieft wieët sjlieft lieët hilt vingt hingt vilt
Oorspronkelijk sterke werkwoorden die gedeeltelijk zwak werden (bijvoorbeeld alleen in de verleden tijd) behielden wel de klinkerwisseling in de 2de en 3de persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd:
bakke houwe sjtoeëse
Iech bak houw sjtoeës
Doe biks huits sjtuets
Heë bikt huit sjtuest
De hulpwerkwoorden
We onderscheiden 3 soorten hulpwerkwoorden:
- Hulpwerkwoorden van tijd: han, zieë, weëde (hebben, zijn en worden)
- Hulpwerkwoorden van modaliteit. Zij geven een modaliteit of een bijzondere betekenis aan een ander werkwoord: darve, könne, mósse, zalle, wille, wisse.(mogen, kunnen, moeten, zullen, willen, weten)
- Andere hulpwerkwoorden. Zij geven vaak een bepaalde kleur en/of betekenis aan andere werkwoorden: doeë, joa, kómme, sjtoa, zage, zieë (doen, gaan, komen, staan, zeggen, zien)
Al deze hulpwerkwoorden hebben vaak afwijkende vormen in hun vervoegingen. Ze zijn daardoor eigenlijk allemaal onregelmatig. Daarom noemen we ze ook wel onregelmatige (hulp)werkwoorden.
- De hulpwerkwoorden van tijd: han, zieë, weëde(hebben, zijn en worden)
tt = tegenwoordige tijd vt = verleden tijd
han tt vt conjunctief voltooid deelwoord gebiedende wijs (gb)
iech han hauw häu/hai jehad han
doe has hauwts häuts/haits hat
heë hat hauw häu/hai
vier hant hauwe häue/haie
uur hat hauwt häut/hait
zie hant hauwe häue/haie
zieë(zijn) tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech bin woar wuur jeweë bis/zich
doe bis woars wuurs zut/zit
heë is woar wuur
vier zunt/zint woare wure
uur zut/zit woart wuurt
zie zunt/zint woare wure
weëde tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech weëd woeët wuet woeëde weëd
doe weëds woeëts wuets weëd
heë weë woeët wuet
vier weëde woeëte wuete
uur weëd woeët wuet
zie weëde woeëte wuete
- Hulpwerkwoorden van modaliteit. Zij geven een modaliteit of een bijzondere betekenis aan een ander werkwoord: darve, könne, mósse, zalle, wille, wisse.(mogen, kunnen, moeten, zullen, willen, weten)
darve tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech darf dórf/darvet durf jedórfd —
doe darfs dórfs/darvets durfs —
heë darf dórf/darvet durf
vier darve dórfe/darvete durfe
uur darft dórft/darvet durft
zie darve dórfe/darvete durfe
könne tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech kan koeët kuet jekoeëd/jekónd —
doe kans koeëts kuets —
heë kan koeët kuet
vier könne/kanne koeëte kuete
uur könt/kant koeët kuet
zie könne/kanne koeëte kuete
mósse tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech mós moeët muet jemoeëd/jemósd —
doe móts moeëts muets —
heë mós moeët muet
vier mósse moeëte muete
uur móst/mót moeët muet
zie mósse moeëte muete
zalle tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech zal zouw – – —
doe zals zouwts/zóts – —
heë zal zouw –
vier zalle zouwe –
uur zalt zouwt/zót –
zie zalle zouwe –
wille tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech wil wool weul jewóld wil
doe wils wools weuls wilt
heë wil(t) wool weul
vier wille wole weule
uur wilt woolt weult
zie wille wole weule
wisse tt vt conjunctief voltooid deelwoord geb wijs
iech wees wós/wes wus jewósd/jewesd wees
doe wits wóts/wets wust wist/wit
heë wees wós/wes wus
vier wisse wósse wusse
uur wist/wit wóst wust
zie wisse wósse wusse
- Andere hulpwerkwoorden. Zij geven vaak een bepaalde kleur en/of betekenis aan andere werkwoorden: doeë, joa, kómme, sjtoa, zage, zieë(doen, gaan, komen, staan, zeggen, zien)
doeë tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech don/dóch dong döng jedoa/jedon don/dóch
doe dees dongs döngs dut
heë deet dong döng
vier dunt donge dönge
uur dut dongt döngt
zie dunt donge dönge
joa tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech jon jong jöng jejange/jange jon (jank)
doe jees jongs jöngs jut
heë jeet jong jöng
vier junt jonge jönge
uur jut jongt jöngt
zie junt jonge jönge
kómme tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech kom koam kuem kómme kóm
doe kuns koams kuems komt
heë kunt koam kuem
vier kómme koame kueme
uur komt koamt kuemt
zie kómme koame kueme
sjtoa tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech sjton sjtong sjtöng jesjtange/sjtange sjton
doe sjtees sjtongs sjtöngs sjtut
heë sjteet sjtong sjtöng
vier sjtunt sjtonge sjtönge
uur sjtut sjtongt sjtöngt
zie sjtunt sjtonge sjtönge
zage tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech zag/zaan zaat zeët jezaad zag/zaan
doe zeës zaats zeëts zaat
heë zeët zaat zeët
vier zage zate zeëte
uur zaat zaat zeët
zie zage zate zeëte
zieë(zien) tt vt conjunctief voltooid deelwoord gb wijs
iech zien zoog zeug jezieë zien
doe zies zoogs zeugs ziet
heë ziet zoog zeug
vier zient zoge zeuge
uur ziet zoogt zeugt
zie zient zoge zeuge
De vervoeging van de werkwoorden
Dit betreft uiteraard overwegend de werkwoorden die tot nu toe niet besproken zijn.
De tegenwoordige tijd of het praesens
lane vleie bederve foesje
iech laan vlei bederf foesj
doe laans vleits bedurfs foesjs
heë/zie/ze/’t laant vleit bedurft foesjt
vier/v’r lane vleie bederve foesje
uur/ier laant vleit bederft foesjt
zie/ze lane vleie bederve foesje
Opmerkingen:
– De stam van een werkwoord wordt gevormd door het weg laten van de e aan het einde van het werkwoord: lane > stam lan > in enkelvoud + soms verdubbeling van de klinker . vleie > stam vle. Foesje > stam foesj.
- Soms vindt verkorting plaats van de zwevende tweeklank en wel bij de volgende zwakke werkwoorden: feële, jeweëne, kleëne, reëne, ziech verveële.Voorbeeld: Heë vervelt ziech. Ook bij de sterke werkwoorden: heëve, jeëve, neëme.Voorbeeld:Iech nem dat nit jenauw! Dat felt ós nog!De stam van haodeis hoden van hoaleis hol!
- Bij werkwoorden waar de g tot j is gworden voor de e van de infinitief, keert de g terug op het eind en voor de uitgangen d,t en s.
Voorbeelden:
veëje sjwieje luuje verberje
iech veëg sjwieg luug verberg
doe veëgs sjwiegs luugs verburgs
heë veëgt sjwiegt luugt verburgt
vier veëje sjwieje luuje verberje
uur veëgt sjwiegt luugt verbergt
zie veëje sjwieje luuje verberje
verleden tijd > veëjet sjweeg loog/luujet verbórg/verberjet
voltooid deelwoord > jeveëgd jesjwèje jeloage verbórje
– soms wordt in de 2de persoon enkelvoud een t ingelast. Dit vindt plaats bij:
zwakke werkwoorden als de stam eindigt op een tweeklank:
Voorbeelden:
sjraie > doe sjraits / vrije > doe vrijts / sjträue > doe sjträuts / sjuie > doe sjuits
maar ook bij:
klauwe > doe klauwts / verzouwe > doe verzouwts / sjwese > doe sjwits
– sterke werkwoorden waarvan de stam eindigt op sj of s.Daarbij treedt bij een lange stamklinker verkorting van de klinker op.
Voorbeelden:
biese > doe biets / riese > doe riets / wèsje > doe witsjs / heesje > doe hitsjs
blieve > doe blietsmaar ook:doe bliefs.De ie wordt dan een korte klank.
uitzondering:
wase > doe wieës / jenisse > doe jenis
Sommige éénlettergrepige werkwoorden gaan in de 1ste persoon enkelvoud uit op een –nen in de 1ste en 3de persoon meervoud uit op –nt. Dit verschijnsel vindt men bij de onregelmatige werkwoorden. Verder nog bij:
sjloa krieje
iech sjlon/sjloch krien
doe sjlees kries
heë sjleet kriet
vier sjlunt krient
uur sjlut kriet
zie sjlunt krient
In enkele uitdrukkingen is een oude aanvoegende wijs (conjunctief) bewaard gebleven.
Voorbeelden:
Jod zeën diech! Gezondheid! God zegene je!
Jod jeëft/jieëft dat nuus passeerd is! God verhoede dat er iets is gebeurd!
Jod bewaar (miech)! God bewaar me!
Jod vertsei miech dat iech ’t zaan! Vergeef me dat ik ‘t zeg!
Bij enclitisch gebruik, meestal in vragende zinnen.
Voorbeelden:
Tegenwoordige tijd verleden tijd
(jij-vorm) laans te bakkets te nooms te braats te
(hij-vorm) laant e bakket e noom e braat e
(u/jullie-vorm) laant ’r bakket ’r noomt ’r braat ’r
De verleden tijd of het praeteritum
bakke helpe drage bringe
iech bakket hólp droog braat
doe bakkets hólps droogs braats
heë, zie, ze, ’t bakket hólp droog braat
vier, v’r bakkete hólpe droge brate
uur, ier bakket hólpt droogt braat
zie, ze bakkete hólpe droge brate
De aanvoegende wijs of de conjunctief
De aanvoegende wijs wordt veelvuldig in het Kerkraads dialect gebruikt en drukt meestal iets onwerkelijks of iets wenselijks uit. De conjunctief verwijst altijd naar de verleden tijd. De aanvoegende wijs staat tegenover de aantonende wijs of de indicatief. De indicatief geeft de feiten, de werkelijkheid weer.
Bij de zwakke werkwoorden is de vorm van de conjunctief gelijk aan die van de indicatief. Bij de sterke werkwoorden met klinkerverandering in de verleden tijd wordt de conjunctief gevormd door middel van een umlaut op die klinker, mits het een klinker is die een umlaut kan krijgen. ( Een umlaut verandert de klank van een letter.) Bij de volgende klinkers kan een umlaut voorkomen:
Bij a-klanken > a, aa, auw > e, eë, äu
Bij o-klanken > o, ó, oo, ao, oa, oe, oeë > ö, u, eu, äö, öa
Voorbeelden Het onwerkelijke:
Kenk iech mer mitdoeë! (va kank) maar ik kan niet
Breët heë miech mer jet lekkesj! (va braat) maar dat gebeurt niet
Häu ( ook > hai) iech mer mieë tsiet! (va hauw) maar die heb ik niet
Jewön iech mer ins in d’r lotto! (va jewon) maar ik win nooit
Vults doe mer ins mieng pieng (va vólts) maar die heb jij niet
Sjeus heë mer ins inne knien! (va sjoos) maar hij raakt nooit iets
Verköat iech mer ins jet! (va verkoat) maar ik verkoop niets
Zuet heë mer ins in d’r sjtal! (va zoeët) maar daar gaat ie nooit zoeken
Wanneer gebruiken we de conjunctief?
- Bij een wens die waarschijnlijk nooit vervuld wordt:
Hulp ós mer inne!
Kuem mer ins jet reën!
’t Muet ins jet reën kómme!
- Om een mogelijkheid uit te drukken:
Dat wuur wal tse doeë.
Dat leus ziech wal maache.
Doa kuete vier ins hin joa.
- Als uitdrukking van iets onwerkelijks (irrealis):
Doe muets diech jet sjame!
Dat wuur evver nit nuedieg jeweë!
Iech wus nit wat iech mit al dat jeld döng, wen iech in d’r lotto jewön.
- Bij de indirecte rede (erlebte rede) van een gesproken woord. Men kruipt als het ware in de huid van degene die geciteerd wordt:
Heë zaat, dat e dat nit jewes häu/hai.
Heë häu/hai dat nit jewes.
Iech vroog/vroaget hem wat heë jong doeë, went e oes deens kuem.
- Om twijfel uit te drukken:
Neums doe miech mit óp rees?
- Om bescheidenheid, onderdanigheid, afhankelijkheid uit te drukken:
Kuet iech uung ledder ins lieëne, jevelles?
In plaats van de conjunctief gebruikt men ook vaak een omschrijving met zouw als de handeling in de toekomst ligt:
Dat leus ziech wal mache. > Dat zouw ziech wal maache losse.
Heë dräuet, heë sjteuch ós de boed i brank. > heë dräuet, heë zouw ós de boed i brank sjtèche.
De gebiedende wijs of de imperatief
De gebiedende wijs kent twee vormen: een enkelvoudsvorm en een meervoudsvorm. De meervoudsvorm is tevens de beleefdheidsvorm (gebruik bij u). De enkelvoudsvorm is gelijk aan de stam van het werkwoord; de meervoudsvorm is gelijk aan de stam van het werkwoord
Enkelvoud Karl, drink lankzaam!
Jong, loof ins noa d’r bekker en hol miech e broeëd!
Meervoud Jonge, drinkt nit tse flot!
Komt ins jonge, helpt miech ins!
Beleefdheidsvorm Heer, drinkt nit ezoeë vöal!
Zut ezoeë jód en helpt miech ins, heer (here).
Hieronder staat de gebiedende wijs van een aantal werkwoorden die hun stam niet op de gebruikelijke wijze vormen:
zieë (zijn) > Joep, zich ins e bis-je rui-ieg! Jonge, zut ins e bis-je rui-ieg!
zieë (zien) > Anna, ziech doa deë auwe man! Kinger, ziet doa deë sjunne hónk!
doeë > Jong, dóch/don ins loestieg! Jonge, dut ins loestieg!
Sjloa > Karl, sjloch/sjlon/sjlach die dekke ins oes! Jonge, sjlut ieëtsj de dekkens oes!
Sjtoa > Friets, sjtank sjtil! Here, sjtut sjtil!
Joa > Elly, jank effe noa heem! Jonge, jut jevelles an zie!
Krieje > Bertie, krieg/krien diech d’r laptop en bejin! Kinger, kriet uuch d’r bal en sjpieëlt!
Zage > Juupje, zag/zaag nuus an de mama! Here, zaat nuus an d’r dierektor!
